Sinéad O’Connor draagt een ‘Dublin AIDS Alliance’ shirt bij The Late Late Show in 1990
Sinéad O’Connor draagt een ‘Dublin AIDS Alliance’ shirt bij The Late Late Show in 1990

Geen popartiest maar protestzangeres: Sinéad O’Connor

Als een paard van Troje sloop ze de popwereld binnen: Sinéad O’Connor. Rebels, provocatief en taboedoorbrekend zonder daar ook maar enige compromissen over te sluiten. Haar label had te maken met een eigenzinnig persoon die wist wat ze wilde, terwijl zij haar het liefst hadden gezien in lang haar en een kort rokje. Dat zou ongetwijfeld beter hebben uitgepakt voor haar carrière in de popindustrie. Als dat zou zijn wat zij gewild had, tenminste. Dat was echter niet het geval: ze wilde protestzangeres worden. 26 juli overleed zij op 56-jarige leeftijd, maar na iedere gelegenheid aangegrepen te hebben om de wereld precies te laten weten wat er mis mee was, is ze daar zonder meer in geslaagd.

In één klap bekend als protestzangeres in plaats van popartiest

De meesten zullen haar kennen als de zangeres die Nothing Compares 2 U van Prince coverde, waar ze een enorme wereldhit mee te pakken had. Met haar gouden keel kon ze rekenen op lof uit alle hoeken van de wereld. Zo ook in Amerika, waarmee haar status als wereldster al snel bevestigd werd. Lang duurde het niet voordat ze haar respect verloor van het publiek daar. Zo weigerde ze vanwege de Amerikaanse censuur (op voornamelijk zwarte artiesten) het Amerikaanse volkslied af te spelen voor haar shows. Maar met haar optreden bij Saturday Night Live (SNL) had ze de poppen pas echt aan het dansen.

Afgesproken was dat zij een foto van een Braziliaans kind op zou houden die dood was als gevolg van politiegeweld. Daarmee zou ze naar het racisme verwijzen dat centraal staat in Bob Marley’s nummer War. Echter veranderde ze de tekst en luisterde het publiek – alsook de SNL crew én haar management – nietsvermoedend naar een uitvoering gericht op het seksueel misbruik van kinderen binnen de katholieke kerk. Terwijl ze het laatste woord zong, ‘evil’, verscheurde ze een foto van Paus John Paul II en zei ze: ‘‘Fight the real enemy’’.

And we know we shall win
As we are confident
In the victory
Of good over evil.

Er stroomden duizenden klachten binnen en het leverde haar een levenslang verbod op bij het programma. Voor Amerika was dit de druppel die de emmer deed overlopen. Haar carrière in Amerika stelde na de controverse niet veel meer voor, maar dat mocht niet deren. Iedere kans die zij kreeg om zich uit te spreken over onrecht pakte ze aan. Zo ook toen ze nog geen twee weken later optrad tijdens een tribuut aan Bob Dylan, die ook bekend stond als protestzanger. Ze zou een zacht liedje zingen, maar weigerde dat te zingen als ze overstemd zou worden door het joelende publiek. Ze besloot nogmaals War te zingen.

“I’m not sorry I did it. It was brilliant. But it was very traumatizing. It was open season on treating me like a crazy bitch.” – Sinéad O’Connor

De volgende oorlog die in haar hoofd zou wroeten, was als gevolg van de enorme lading shit die ze over zich heen kreeg. Haar hele leven lang kampte ze al met mentale gezondheidsproblemen, voornamelijk vanwege haar zware jeugd. Daar deed de wereld eigenhandig nog een schepje bovenop. Haar onbaatzuchtigheid is wat Sinéad kenmerkte, het was duidelijk geen pick your battles kinda girl. Als zij onrecht zag, moest ze doen wat zij kon om daar verandering in te brengen. Of het nu om kindermishandeling, gender- en rassenongelijkheid of discriminatie jegens de LHBTQIA+-gemeenschap ging. Wat maakte haar tot de protestzangeres en activist die, ongeacht de consequenties, keer op keer de confrontatie opzocht? Het leek alsof ze niets te verliezen had, en misschien was dat voor haar gevoel ook wel zo.

Hoe Sinéad uitgroeide tot protestzangeres

Sinéad groeide op in een katholiek gezin in Dublin, Ierland. Een land waarin de tijd jarenlang stil leek te hebben gestaan. In haar jeugd was het een zwaar katholiek land en kenden vrouwen er weinig tot geen rechten. Haar ouders scheidden toen ze nog maar 8 jaar was, waardoor zij alleen achterbleef met haar moeder. Door haar werd ze lichamelijk, verbaal, psychisch en emotioneel mishandeld. Naar eigen zeggen het resultaat van het land waarin zij was opgegroeid. ‘‘Het is de ziekte die de kerk aanrichtte in families en gezinnen in een land waar het een doodzonde was om na middernacht te dansen, en je in de hel zou branden als je vlees at op vrijdag’’, hoor je Peter Lennon (regisseur Rocky Road to Dublin) vertellen in Nothing Compares, de documentaire over Sinéad’s leven die vorig jaar uitkwam.

Al met haar eerste single deed zij recht aan de titel van protestzangeres, die zij wilde dragen. Op het nummer Troy verwerkt ze haar trauma. Aanvankelijk ontkent ze het misbruik (‘‘I’d kill a dragon for you, I’ll die’’), maar uiteindelijk erkent ze dat haar moeder het monster was: “And the flames burned away, but you’re still spitting fire. Make no difference what you say, you’re still a liar.” Ze had het beest recht de bek in gekeken en kon onmogelijk wegkijken. Wat zij had verloren kon ze een ander besparen en dat zou ze doen ook. Ze groeide uit tot een van de meest mondige activisten in de muziekindustrie.

Nadat ze een platencontract getekend had, vertrok ze naar Londen. Hier kwam ze voor het eerst in aanraking met homo’s, waarbij ze zich geliefd en begrepen voelde. Ook zij had opgesloten gezeten en deelde leed met de LHBTQIA+-gemeenschap. Ze was een ally en sprak zich uit op de momenten dat de gemeenschap het zwaar te verduren had. Bijvoorbeeld tijdens de aidscrisis, of toen Margaret Thatcher artikel 28 invoerde. Die wet verbood gemeenten om boeken, toneelstukken, folders en films die homoseksuele relaties vertoonden te subsidiëren.

Als reactie trad ze een jaar later op bij Pride en sloot zij zich aan bij de eerste solidariteitsbeweging vanuit de muziekindustrie, om de LHBTQIA+-gemeenschap een hart onder de riem te steken. Ze zong een cover van You Do Something To Me van Cole Porter, wat op het benefietalbum Red Hot + Blue staat. De opbrengsten hiervan gingen naar ACT UP (AIDS Coalition Unleash Power). Ze zou haar steun nog veel vaker betuigen. Zo doneerde ze in 2017 haar kleding aan transkinderen en trad ze in 2019 op bij Good Morning Britain in een hijab en regenboogshirt.

Ze heeft in interviews openlijk over haar seksualiteit gesproken, maar werd ook gevraagd naar haar genderexpressie, al dan niet op een bekrompen manier. Zo is er in haar documentaire een oud fragment te zien waarin een interview vraagt naar haar kaalgeschoren hoofd: ‘‘We zitten te praten en ik accepteer je kale hoofd gewoon. Ik had er niet echt bij stilgestaan. Maar nu denkt iedereen in Amerika: ‘Waarom vraagt die klungel haar er niet naar?’ Dus doe ik het nu.’’

Het was duidelijk dat ze een gruwelijke hekel had aan de ongelijke machtsverhoudingen en de vragen die ze als vrouw kreeg irriteerden haar duidelijk. Ze had haar hoofd kaalgeschoren omdat ze daar zin in had, maar tegelijkertijd was het een dikke middelvinger naar het patriarchaat. Ze was haar tijd ver vooruit, zei Canadese zangeres Peaches, ook in een interview voor de Nothing Compares documentaire: ‘‘Haar imago straalde meer uit dan feminisme. Het ontsteeg feminisme. Het was haar non-binaire, bijzondere intersectioneel feministische houding.’’

This ‘Barbie’ wasn’t having it

Na ontdekt te worden door haar label, Ensign Records, zag Sinéad in het schrijven van muziek een uitlaatklep. Hier kon ze alle emoties in kwijt die ze anders zou opkroppen. Het maken van muziek was als therapie voor haar. Haar label wilde daar echter niets van weten. Ze zagen haar als een product en dachten haar om te kunnen vormen tot een likeable woman, die hun geen gezeur zou opleveren. Als het aan hen lag, werd ze geen popartiest in plaats van protestzangeres. ‘‘Just shut up and sing’’, kreeg ze te horen.

Ze moest haar haar lang laten groeien en korte rokken, hoge hakken en make-up dragen. Haar antwoord? Een kaalgeschoren kop. Dat was niet de enige keer dat haar label Sinéad zou dwarsbomen. Het mocht niet te zien zijn op haar albumhoes dat ze zwanger was. En ze wilden de teksten voor haar tweede album volledig schrappen, omdat die té persoonlijk zouden zijn, alsof ze rechtstreeks vanuit haar dagboek zouden komen. Dat laatste weigerde Sinéad: ‘‘Ik wilde niet dat een man me oplegde wie of wat ik moest zijn of hoe ik moest klinken.’’ Voor haar stond dat gelijk aan een vrouw die zich conformeerde aan het patriarchaat en dus het zwijgen werd opgelegd. Artiesten worden als maakbaar gezien, terwijl er achter de artiest een echt mens zit. Die blijkbaar nooit goed genoeg is.

Het doet mij een beetje denken aan de Barbie-film. Zowel de muziekindustrie als de Barbie-poppen scheppen het idee dat je alles kan zijn, maar toch moet dat er op een bepaalde manier uit zien. Pregnant Barbie werd uit de schappen gehaald en Depression Barbie heeft nooit bestaan omdat lastige emoties enkel in de real world bestaan. De schijn ophouden heeft echter weinig zin wanneer je niet in een droomwereld leeft. Sinéad prikte door de bullshit heen en bracht de waarheid altijd boven tafel. ‘‘Ik ben Iers en Ierse kunstenaars zijn altijd activistisch. Een kunstenaar moet soms moeilijke discussies op gang brengen. En het boeit me niet wat mensen van me vinden als ik dat doe’’, vertelt ze in haar documentaire. Overduidelijk een protestzangeres, maar niet zonder gevolgen, zoals je al hebt kunnen lezen.

Sinéad kreeg te maken met dezelfde zaken die het karakter van America Ferrera aanhaalt in haar spot-on tirade over hoe het is om een vrouw te zijn in deze maatschappij: ‘‘Always stand out and always be grateful, but never forget that the system is rigged. So find a way to acknowledge that, but also always be grateful.’’

Een vrouw die slachtoffer was van het patriarchaat kon onmogelijk even dankbaar zijn als boos voor wat haar overkomen was en het was haar goed recht om voor haarzelf en anderen op te komen. Dat men van haar verwachtte dat zij iets anders dan protestzangeres zou worden is maar lastig te bevatten. In een tijd die zij ver vooruit was, had ze het nooit goed kunnen doen en dat heeft ze geweten. Sinéad heeft op brute wijze moeten leren hoe de wereld in elkaar zit en had desondanks een groot licht in haar dat ze over iedereen liet schijnen.

Over de auteur(s)

Dylan

Dylan

Hi! Ik ben Dylan (hij/hem), 23 jaar oud en ik woon in Nijmegen. Ik werkte voorheen als copywriter, maar wil veel liever schrijven over dat wat mij écht interesseert: queer- en popcultuur. So this is me trying! Daarnaast lees ik, wandel ik, vier ik het leven en ben ik vooral nog veel aan het ontdekken.

Schrijf mee

Wil jij helpen met het creëren van leuke content voor en door LHBT+? Bekijk hieronder onze vacatures.

Waarom iedereen het boek Pageboy moet lezen

Pageboy is een authentieke biografie waarin Elliot Page de lezer meeneemt in zijn reis naar worden wie hij is. De pijnlijke waarheid die veel trans personen moeten doorstaan wordt scherp beschreven.